Ruimte voor de toekomst in de gebiedsinrichting van nu


De gebiedsinrichting is een belangrijke factor in het oplossen van hedendaagse vraagstukken. Door de inrichting van steden en gebieden te heroverwegen, kan beter ingespeeld worden op ontwikkelingen zoals klimaatadaptatie, de circulaire economie, en de bereikbaarheid van steden. Hoe steekt dit vraagstuk precies in elkaar?

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op kennisplatform Mijn Zakengids.

Traditioneel gezien wordt de eindgebruiker weinig betrokken bij de inrichting van zijn of haar leefomgeving. Wie grondeigenaarschap heeft, heeft daarmee ook het ontwikkelrecht – uiteraard binnen de perken van een bestemmingsplan of -visie. Doorgaans zijn het projectontwikkelaars of woningcorporaties die kansrijke grond opkopen en deze grotendeels naar eigen inzicht inrichten.

Gezien de grote voorinvestering die deze partijen doen en het risico dat zij daarbij lopen, kan men ze dat niet direct kwalijk nemen, meent Ellen van Bueren, hoogleraar Urban Development Management bij de faculteit Bouwkunde aan de Technische Universiteit Delft. Ontwikkelaars streven ernaar de investering terug te verdienen, dus wordt veel gebouwd en ontwikkeld voor wat de hoogleraar ‘de gemiddelde koper’ noemt. Dat biedt investeerders een bepaalde zekerheid dat er daadwerkelijk een markt is voor het gebouwde.

Hedendaagse vraagstukken

Die aanpak leidt er wel toe dat er soms weinig ruimte is voor vernieuwing bij het ontwikkelen van gebieden. Dat terwijl een aantal hedendaagse vraagstukken daar juist nu om vraagt. Een eerste ontwikkeling die in toenemende mate invloed uitoefent op gebiedsinrichting is klimaatadaptatie. Naar verwachting zal Nederland te maken krijgen met drogere zomers, piekbuien en een stijgende zeespiegel. Dat betekent dat gebiedsontwikkeling van nu op zo’n manier moet plaatsvinden dat de inrichting ook onder die toekomstige omstandigheden optimaal functioneert.

Een tweede ontwikkeling is de opkomst van de circulaire economie om met schaarser wordende grondstoffen om te gaan. Dat heeft met name een groot effect op de manier waarop, en de materialen waarmee bebouwing wordt ontwikkeld. ‘De bouwsector is nog steeds een van de grootste afvalstromenproducenten van Nederland. Het gaat om enorme volumes’, zegt Van Bueren. Met de manier waarop men bouwt wordt daarnaast ook het gebruik van bepaalde hulpbronnen zoals energie voor lange perioden vastgelegd. De gebouwde omgeving staat er voor minstens dertig jaar – daarmee zet men de toon met betrekking tot hoe mensen leven en wat voor energiebronnen ze tot hun beschikking hebben. Wanneer men op zoek gaat naar alternatieve manieren om grondstoffen te gebruiken of geheel uit de keten te verwijderen, dan heeft dat een grote invloed op de manier waarop de omgeving kan worden ingericht.

Tot slot wordt ook het bereikbaarheidsvraagstuk steeds belangrijker bij het inrichten van gebieden. Er vindt een verdichting van steden plaats waarbij mensen op een steeds kleiner oppervlak wonen. ‘Dat levert een uitdaging op rondom de vraag hoe we met zijn allen van en naar huis reizen, zowel nu als over dertig jaar’, licht Van Bueren toe.

Complexiteit neemt toe

Dat deze ontwikkelingen een uitdaging vormen, erkent Hans Mommaas, directeur Planbureau voor de Leefomgeving. ‘Er is geen blauwdruk voor de toekomst. We kunnen geen mooie route uitstippelen die ons van A naar B brengt.’ Stedelijke overheden staan voor de opgave om te bepalen wat er op welke plek gedaan kan worden zonder dat men er later spijt van krijgt. Zo kan men met redelijke zekerheid zeggen dat het verstandig is om geen gasvoorziening meer aan te leggen voor nieuwe wijken. ‘Maar wat doe je met de bestaande bouw?’

Om tot duurzame oplossingen voor dit soort vraagstukken te komen, ziet Mommaas mogelijkheden voor publiek-private samenwerkingsverbanden. Omdat de grote transitieopgaven zoals energie en circulariteit, maar ook het verduurzamen van de landbouw, steeds meer aspecten van de samenleving zullen raken, zal gebiedsontwikkeling complexer worden. ‘Hoewel bij de overheid de taak ligt om richting aan te geven, kun je het daadwerkelijk uitvoeren van die transities niet vanuit Den Haag regelen’, stelt de directeur. Bovendien werkt één centraal beleid niet even goed voor verschillende regio’s, waardoor ongelijkheid ontstaat. Zo heeft Rotterdam als stad andere behoeften dan Leeuwarden. Om die te realiseren moet men binnen de regio met elkaar op zoek naar ontwikkelkansen. De uitdaging daarbij is om goed te blijven schakelen tussen een top-down- en bottom-upbenadering.

Ambitie en prioriteiten

Volgens Van Bueren moet bij ieder project van tevoren goed nagedacht worden over de prioriteiten. Alle gebiedsontwikkeling vereist verschillende vormen van infrastructuur en daaraan hangt het hoogste prijskaartje. ‘De vraag is: “Waar gaan we ons geld in stoppen?”‘ Investeert men bijvoorbeeld in woningen en bedrijfspanden met decentrale energiesystemen zoals zonnepanelen, om zo meer onafhankelijkheid te bieden? Of maakt men gebruik van de opschalingskansen die de stad biedt en wordt duurzame energievoorziening collectief geregeld? Wat de beste optie is, kan per gebied verschillen. Vandaar dat in een ideale wereld alle belanghebbenden aan de voorkant van een project zouden samenkomen om de ambitie en prioriteiten vast te leggen, meent Van Bueren.

Wanneer opdrachtgevers, adviesbureaus, uitvoerders, nutsbedrijven, grondstoffenleveranciers, gemeenten, ondernemers en eindgebruikers een gezamenlijk doel voor een gebied overeenkomen, kan de inrichting op optimale wijze plaatsvinden. In de praktijk is dat met name in de stad een grote uitdaging. ‘Op het moment dat je een leeg weiland gaat ontwikkelen, kun je zoiets doen. Dat hebben we ten tijde van de Vinex-wijken ook best goed gedaan’, zegt Van Bueren. De stad is echter continu in beweging met allerlei initiatieven die elkaar doorkruisen.

Mommaas wijst erop dat een soortgelijke aanpak wel al wordt gebruikt bij het ontwerpen van een nieuw landelijk energieakkoord. Aan verschillende tafels gaan relevante partijen met elkaar in overleg om een plan van aanpak te bedenken voor een specifiek onderdeel van het energievraagstuk. Vervolgens worden de uitkomsten van de verschillende tafels bijeen gebracht als geheel om te kijken of ze samen alle energiedoelstellingen behalen. ‘Zo niet, dan moet men terug om de tafels.’

Toekomst van gebiedsinrichting

Als het gaat om samenwerking bij duurzame stedelijke ontwikkeling ziet Van Bueren momenteel nog vaak een belemmering in de vorm van de schaal. Partijen die betrokken zijn bij gebiedsontwikkeling in steden zijn vaak grote spelers zoals energieleveranciers en bouwreuzen. Dit terwijl het toekomstbestendig (her)inrichten van steden juist ook de inzet van lokale partijen vraagt. ‘Zij zitten echt in het gebied en hebben lokale kennis die passend maatwerk kan opleveren.’ Mommaas sluit zich daarbij aan en voegt toe dat gemeenten de ideale partij zijn om samen met maatschappelijke partijen vraagstukken omtrent gebiedsontwikkeling op te pakken. Zij kunnen lokale kennis combineren met goede lijnen naar regionale en landelijke gesprekspartners om zo de uitdagingen van de toekomst vanuit meerdere niveaus aan te gaan.

Bron: Mijn Zakengids